FAQ gender "via het feminisme vond ik ook andere 'vrouwen' die afweken van de norm"

'Toen ik nog een jongen was' Copyright: Johanna Pas

Onlangs kwam het boek FAQ Gender uit van queerboegbeelden Mandy Woelkens en Thorn De Vries. Het is het allereerste Nederlandstalige handboek voor iedereen die meer wil weten over non-binaire mensen. FAQ Gender is o.a verkrijgbaar bij LGBTI+ boekhandel Kartonnen Dozen. Uitbater Johanna Pas vertelt ons wat non-binair zijn betekent in Johanna's leven: 'Ik wist al als kind dat ik geen jongetje en geen meisje was. Ik kende daar geen woorden voor dus verzon ik er op mijn tiende zelf een: ik was een josje.' 

07/02/2022

Geef mij een woord voor wie ik ben dat niet van steen is maar van was

Jo/hanna Pas

‘Ik ben twee bomen,’ schreef ik als kind. ‘Ik ben twee bomen en toch ben ik één.’
Ik greep met woorden om me heen om mezelf te begrijpen. Ik was een josje, besloot ik – geen jongen en geen meisje, of allebei. Er was, toen ik opgroeide, geen persoonlijk voornaamwoord om mij mee aan te duiden, behalve ‘ik’. 

Idensiteit

Er was geen woord
voor wat ik was. Nog niet.
En in mijn naam kon ik
me niet herkennen. 

Maar er zat vrijheid in 
die leegte, en een verhaal 
dat in mijn hoofd ontstond –

Ik voel me niet ‘een man’. Ik voel me niet ‘een vrouw’. Ooit – toen ik mezelf nog als middelpunt van de wereld zag – dacht ik dat niemand zich het ene of het andere voelde, dat iedereen maar deed alsof. Nu weet ik beter, maar toch denk ik nog steeds dat veel mensen hard hun best doen om in een van die categorieën te passen, zonder zich te realiseren dat het maar woorden zijn. Woorden die het leven makkelijker hadden moeten maken in plaats van moeilijker. 

Het waren de woorden die maakten dat ik een feminist werd. Want ik zet me in voor de rechten van vrouwen omdat ik door de samenleving in die categorie word gedwongen. Omwille van het lichaam waarin ik geboren ben. Dit lichaam waarvan ik houd, dit zieke lichaam, dit lichaam dat lijdt en dat liefheeft, dit lichaam waarmee ik leef. 

Ik voel me niet lesbisch of biseksueel maar ik bén het wel. Omdat dat nu eenmaal de woorden zijn voor wat ik doe – in deze tijd, in deze samenleving, in deze taal. En daarom voel ik me solidair met andere mensen die dat ook doen: iemand liefhebben met een lichaam gelijkaardig aan dat van hen. Min of meer. 

Ik raak verstrikt in de taal. Want wat ik wil zeggen kan ik niet zeggen in deze taal, de taal die deze samenleving niet alleen weerspiegelt, maar ook vormgeeft. 

Ik bén geen man, ik bén geen vrouw. Dat wist ik als kind al. In mij was niets dat deze labels herkende als iets wat met mij te maken had. Ik zag wél wat deze woorden te maken hadden met hoe mensen zich tegenover mij gedroegen. En ik merkte hoe belangrijk het voor veel mensen bleek te zijn om te weten wat ik was, omdat ze zich – vreemd genoeg – anders geen blijf wisten met zichzelf. Ik merkte dat ik in deze taal niet kon praten over mensen als ik, zonder toch te kiezen. 

Als mensen meenden te zien wie ik was – een jongen of een meisje – dan kon ik mezelf daar niet in herkennen. En als ze niét konden zien wat ik was, konden ze me niet verdragen. 
‘Ben je een jongen of een meisje?’ vroegen ze treiterend en dwingend op de tram, op straat. Alsof het ertoe deed. ‘Nee,’ zei ik. ‘Nee.’

Woorden van steen

Ik groeide op in een tijd van sekse-segregatie. Ik zat op een school met alleen maar meisjes en ook de leerkrachten waren overwegend vrouwen. De enige jongens die ik van dichtbij kende – en zelfs die niet echt – waren mijn broers en mijn neven. De jongensschool, twee straten verderop, was een ander universum.

In zekere zin was dat heerlijk en veilig, maar het contrast tussen hoe ik eruitzag en mijn omgeving van ‘Mädchen in Uniform’  – de donkerblauwe rokken en de witte kousen – kon niet groter zijn. Elke lente keek ik al vol verlangen uit naar de volgende winter omdat we tussen de kerstvakantie en de paasvakantie een broek mochten dragen – ook donkerblauw weliswaar, maar het paste in elk geval beter bij mijn jongensgezicht, mijn korte haar en mijn stoere schoenen dan de blauwe geplooide rok tot over de knieën.
 
Ik wist al als kind dat ik geen jongetje en geen meisje was.  Ik kende daar geen woorden voor dus verzon ik er op mijn tiende zelf een:  ik was een josje.

Later ontdekte ik het woord ‘androgyn’. Dat vond ik goed bij me passen. Het paste ook meestal goed bij de mensen op wie ik viel.
Nog later kwam het woord genderqueer in zwang. Dat paste eigenlijk beter, vond ik, want ik was niet ‘een jongen én een meisje’, ik was geen van beide. En queer, een beetje vreemd, dat was ik ook.

‘Butch’, daar kon ik me ook in vinden, omdat daarin mijn genderidentiteit en mijn seksuele oriëntatie samenkwamen. 
Met het woord ‘lesbisch’ had ik een moeilijke verhouding. Als ik zelf geen meisje was, en viel voor androgyne mensen, dan was ik wel degelijk ‘homoseksueel’ (als in: aangetrokken tot hetzelfde gender), maar kon ik dan wel lesbisch zijn? Hoe graag ik dat ook wilde. Hoe graag ik ook érgens bij wilde horen. 

Soms sprak men me aan met hij, soms met zij. Het maakte me niet uit. Er was tenslotte geen andere mogelijkheid, dacht ik. Wat me wel uitmaakte was dat mensen me dwongen om te kiezen. ‘Ben jij een jongen of een meisje, ben jij een jongen of een meisje?’ vroegen ze dreinend. Of: ‘Bah, een jongen met een rok,’ riepen ze me na als ik in mijn uniform over straat liep.

Ik weet wat ik ben
ik ben jongen noch
vrouw – meisje 
noch man. Ik ben 
mietje noch macho
manwijf noch slet

Maar jij mag me
noemen wat je maar
wil ______________
als je weet wie ik ben

Sinds kort zijn er eindelijk wel voornaamwoorden voor iemand als ik. Al langer in Angelsaksische landen, en nog langer in het Fins, waar überhaupt maar één voornaamwoord is voor alle genders. 
Eigenlijk zou ik een gat in de lucht moeten springen dat er nu een mogelijkheid is voor mij om me te laten benoemen op een manier die bij me past. Maar helaas. De oplossing die voor het Nederlands is bedacht, werkt niet voor mij. 
En ook het woord non-binair – dat een negatie in zich draagt – ligt me niet. Dan ben ik liever post-binair, voorbij de opdeling tussen de seksen. 

In het Engels is they/their stilaan ingeburgerd geraakt. Dat zal in het Nederlands toch ook wel lukken na een tijdje? Maar mij lukt het niet om me te vinden in die/hun. Om verschillende redenen. 
Want deze oplossing botst met zowel mijn feministische als mijn taalkundige hart. 

Mijn feministische hart

Ik ontdekte het feminisme voor ik de homobeweging – en mijn eigen homoseksualiteit – ontdekte. 
Hoewel ik altijd moeite had gehad mezelf met de vrouwen om me heen te vereenzelvigen ontdekte ik wel hoe het feit dat ik als vrouw gedefinieerd werd mijn leven en mijn toekomst bepaalde. En dat maakte me solidair met anderen die datzelfde label droegen.

‘Je wordt niet als vrouw geboren,’ schreef De Beauvoir, ‘je wordt tot vrouw gemaakt.’ Bij mij was dat niet zo goed gelukt, maar niettemin voelde ik wel de druk om me te conformeren en had ik last van de angst en vervreemding die het teweegbracht omdat ik dat niet wilde of kon.

 Via het feminisme vond ik ook andere ‘vrouwen’ die afweken van de norm, die zich niet voegden naar wat men van hen verwachtte. En via die weg vond ik lesbiennes en een gemeenschap van mensen bij wie ik mezelf kon ontdekken. 

Nog steeds voel ik me verbonden met het feminisme, en met lesbiennes. Nog steeds voel ik me solidair met mensen die in de categorie ‘vrouwen’ worden geplaatst en om die reden te maken krijgen met discriminatie en geweld. En als feminist vind ik het belangrijk dat mensen die zich als vrouw identificeren zichtbaar zijn in de maatschappij én in de taal. Daarom vind ik het belangrijk dat we ‘haar’ benoemen, dat ‘zij’ niet verdwijnt in genderneutraal taalgebruik. Veel vrouwen – cisvrouwen en trans vrouwen – hebben moeten vechten om er te mogen zijn. Ik zou ze niet opnieuw onzichtbaar willen maken. En toch…

Persoonlijke voornaamwoorden wijzen niet alleen een sekse aan, maar ook een machtsverschil. Daarom, als ik de taal kon buigen naar mijn wil, zou ik ervoor kiezen om net als in het Fins maar één persoonlijk voornaamwoord te hebben dat verwijst naar een persoon. En om een gevoel van historische rechtzetting te creëren, vind ik dat dat bij voorkeur ‘zij/haar’ zou kunnen zijn. Voor iedereen. Het zou mijn feministische hart verblijden, het zou vrouwen centraler zetten in de taal – tot we na een tijd vergeten dat dit voornaamwoord ooit alleen maar voor hen werd gebruikt en we ons afvragen waarom we in vredesnaam ooit verschillende voornaamwoorden nodig hadden om zoiets randoms aan te duiden als een genderverschil. 

Daarom denk ik dat de beste aantasting van de huidige machtsverhoudingen door middel van taal, niet een keuze is voor een derde term, die in het Nederlands voor een taalliefhebber als ik tenenkrommend is, maar om net als in het Engels te kiezen voor wat ook onze meervoudsvorm is. En dat is ‘zij’. 

Mijn schrijvershart

Maar wat dan met mensen die zich heel erg goed kunnen vinden in de genderopsplitsing en de termen voor mannen en vrouwen graag willen behouden? Niet in het minst omdat ze misschien hard hebben moeten vechten om überhaupt te mogen behoren tot een van deze categorieën. Wie ben ik om hen dat te ontzeggen? Wie ben ik om een verschil onzichtbaar te maken dat voor veel mensen blijkbaar zó relevant is dat ze in de war geraken als het verdwijnt. 

Dan is er inderdaad geen andere oplossing dan een derde term te gebruiken voor wie zich niet in die strakke opdeling herkent. 

Het gebruik van ‘die’ en ‘hun’ leidt tot verwarring. Verwarring mag er zijn natuurlijk. Verwarring is oké. Verwarring leidt tot verandering. Maar in taal – een instrument dat we gebruiken om elkaar zo goed mogelijk te begrijpen – wil ik toch graag liever minder verwarring in plaats van meer. En hoewel ik me in de loop van mijn leven vaker meervoud dan enkelvoud heb gevoeld, wil ik in de taal die over mij gebruikt wordt, misschien toch liever enkelvoud zijn. Ik wil liever weten of ik het over één non-binair persoon heb of over meerdere. Terzelfdertijd wil ik dat non-binaire, agender, genderqueer personen zoals ik erbij horen in de taal. 

Dus als we kiezen voor een derde term, wat moet die dan zijn? Dan zou ik kiezen voor hij/zij/lij – zijn/haar/laar. En oefenen oefenen oefenen tot het werkt. 

Taal verandert 

Taal is flexibel en kan veranderen. Ze moet ook veranderen omdat de wereld verandert. Taal beweegt mee. Maar we gebruiken taal ook om de werkelijkheid te ordenen, te begrijpen en op die manier bepaalt taal ook hoe wij de werkelijkheid zien en ervaren. Als we opgroeien, krijgen we woorden mee van de vorige generatie, maar soms is de werkelijkheid dan al veranderd en passen de woorden niet meer. En als we opgroeien, beseffen we soms ook niet dat die woorden ook maar bedacht zijn door mensen om de wereld te begrijpen, te ordenen en dat ze niet de werkelijkheid zíjn, en niet in steen gebeiteld. 
 
Of we het leuk vinden of niet, of we ons ertegen verzetten of niet, taal verandert toch. We praten niet meer als in de vroege Middeleeuwen, zelfs niet meer als in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Die veranderingen kunnen in twee richtingen gaan: er wordt iets nieuws bedacht in de taal en vervolgens maatschappelijk draagvlak gezocht of gecreëerd om die verandering over te nemen. Of: maatschappelijke veranderingen dringen door in de taal en die past zich (onzichtbaar en als vanzelf) aan. 

Ik heb het – met andere woorden – niet in de hand. De toekomst zal uitwijzen wat er gebeurt, op welke manier ons veranderend inzicht rond gender en seksualiteit zich zal enten op de taal. Maar als taalgebruiker hebben jij en ik wel de mogelijkheid om mee na te denken en mee voorstellen te doen en mee te bepalen hoe de komende generatie Nederlandstaligen naar de werkelijkheid zal kijken. 

Welk woord het ook wordt, ik zal blij zijn, voor kinderen als ik die nu opgroeien, dat ze bestaansrecht vinden in de taal, dat ze veiligheid vinden in de woorden die hen voor anderen begrijpelijker maken, minder angstaanjagend. En dat ze zich op een bepaald moment zelfs zo comfortabel voelen dat ze zich op hun beurt verzetten tegen de woorden die wij voor hen hebben bedacht. 


Geef mij een woord
voor wie ik ben
dat niet van steen is
maar van was
dat ik kan kneden 
tot het past
en dan
opnieuw

Geef mij een woord
geef mij een naam
geef mij een plaats
om te bestaan

Bron: 

Johanna Pas